The First Step

08Okt08

Gewapend met een vlotte maar bovenal scherpe pen.

Toen ik van een van mijn leerkrachten audiovisuele technieken de opdracht kreeg een blog aan te maken en te onderhouden, vertrok mijn gezicht alsof ik net een grote hap uit een veel te zure citroen genomen had, gepaard gaande met de gedachte: “Blog? Blèh!”, een alleszeggende alliteratie. Maar aangezien het “van de moetens” is, zal ik mijn eigen opvattingen over blogs maar even aan de kant schuiven en gedwee doen wat er van me verwacht wordt, zonder zeuren, zoals het een goede student betaamt.

Dit wil echter niet zeggen dat ik het fenomeen van de blog niet op het randje van het marginale vind of ooit zal snappen wat er zo geweldig aan is, want het blijft uiteindelijk een online dagboek.

Uit het online woordenboek van Van Dale:

Blog: het, de; o en m -s (verk van) weblog
Weblog: het, de; o en m -s dagboek op internet; blog: een ~ bijhouden

Een online dagboek dus.

Niet dat ik iets tegen het bijhouden van een dagboek heb. Integendeel, het lijkt me zeer interessant om je leven op papier vast te leggen, om welke reden dan ook. Je kan later je leven herschouwen, in gehele nostalgie oude herinneringen oprakelen en herbeleven, je kan genieten van het helende effect van schrijven dat als een dagelijkse vorm van catharsis fungeert of misschien schrijf je een dagboek om een accurate schets van jouw persoon te creëren en dit nalaten aan kinderen, kleinkinderen of geliefden, opdat zij een beter inzicht krijgen in wie jij eigenlijk was. Leef niet in het verleden, maar herinneringen moet je koesteren…

Maar waarom zou je willen afwijken van de traditionele manier om dit te verwezenlijken, i.e. met een eerlijke pen en op maagdelijk wit papier? Wat is er zo geweldig aan de pc, dat onding met zijn internet?

Natuurlijk is een computer veel makkelijker in gebruik. Spelfouten kunnen zonder sporen na te laten automatisch gecorrigeerd worden en zinnen die je verkeerd geformuleerd hebt kan je, zonder dat iemand daar ooit achter zou komen, herschrijven of verwijderen. Zelfs het opslaan en verbergen van je gedocumenteerde gedachten en herinneringen zijn gemakkelijker met een computer. Maar ik ben ervan overtuigd dat al de voordelen die zo’n computer mag bieden niet opwegen tegen het verlies van eigenheid dat ermee gepaard zou gaan. Een met de hand geschreven dagboek is veel authentieker en veel persoonlijker. Ik weet niet goed hoe ik het moet verwoorden, maar een dagboek op deze manier maken heeft iets magisch over zich, een soort magische eigenheid, vergelijkbaar met het gevoel van een authentieke cd die je net gekocht hebt en in je handen kan houden in plaats van hem simpelweg van het internet te plukken.

Waarom zou je die schrijfsels ook op het internet willen publiceren?

Waarom zou je toegeven aan de drang die iedereen schijnbaar lijkt te koesteren om alles wat men denkt, voelt en heeft beleefd te delen met zoveel mogelijk mensen, waarvan men het merendeel niet eens kent?

Misschien ligt het gewoon aan het feit dat velen voldoening willen geven aan het verlangen tot voyeurisme dat iedereen koestert. Ik betrap er mezelf af en toe ook op! Het is blijkbaar een natuurlijk proces om zoveel mogelijk te weten te komen over een persoon die jou interessant lijkt, maar liefst zonder dat deze ervan weet en liefst vanuit de comfortabele positie van ons eigen huis, achter onze eigen computer en liefst nog met een stomende kop thee erbij.

Waarom een open boek willen zijn voor mensen?

Ik wil niet dat mensen veel over me (denken te) weten zonder ook maar één woord met me gewisseld te hebben. Wat is er zo verkeerd aan dat mysterieuze, verborgen kantje dat mensen interessant maakt, misschien wel tot het licht intimiderende toe?

Ach ja, gewild voyeurisme. Ik wil er gewoon niet aan meedoen.

Groot was de opluchting echter toen bleek dat deze blog als een soort online portfolio zou moeten dienen. Geen dagboek, geen registratie van mijn dagelijkse avonturen, maar een bewijs van mijn werk in de klas met af en toe aanvullingen van mijn gedurfde pen. Een opgave die me niet al te dwars zou zitten dus. Wie weet, misschien ga ik hier nog plezier in scheppen?

Elke tocht, elke ontdekking en elk avontuur beginnen met het zetten van de eerste stap.

Die is bij deze gezet…

Jelle Laurijssen

Advertenties

Jef LaurijssenMijn vader was een kracht van de natuur, vermomd als een gewone man.

Mijn vader was een uitvergroting van zijn kleinste kantjes.

Hij had een broertje dood aan onrecht en altijd het hart op de tong.

Ja, kwam je in zijn vaarwater, dan hoorde je zijn misthoorn. Recht voor de raap, maar nooit met verheven stem.

En wanneer hij lachte, vertrokken zijn ogen zich tot guitige spleetjes. Het was een schattig contrast met die bulderlach van hem.

En dat magere, ietwat gedrongen lichaam bezat een kracht die zelfs de onstuimige jeugd het schaamrood op de wangen toverde. ‘Broekventjes’, zag je hem dan denken en hij toonde je weer een van zijn vele trucjes.

Die diepblauwe arendsogen van hem verraadden een onpeilbare trots, een trots op zijn eigen realisaties maar vooral op die van zijn eigen bloed.

Hij had ook kolenschoppen van handen, die naast noeste arbeid alleen maar genegenheid kenden. Een omhelzing van hem deed je lichaam steeds een beetje kraken, maar altijd vol van liefde, want je had hem gevoeld.

Maar het is ook zo dat hij af en toe de boot nipt miste, altijd slechts vijf minuutjes te laat. Dat kwam dan door die befaamde besluiteloosheid van hem. Ieder deeltje moest netjes zijn plaats in een eindeloze keten van overpeinzingen hebben gevonden. Enkel dan kon hij zijn doordachte keuze maken.

Een perfectionist tot in de kist, letterlijk. Het kleinste detail behandelde hij met de grootste zorg.

En nu betekent alles iets anders.

Een verdwaald hoopje kleren op de rand van het bad. Een leesbril op zoek naar het puntje van vaders neus. Een koersfiets gretig om op zondagochtend tegen hoge snelheid het asfalt te verkennen.

Alles heeft er een dimensie bij.

Mijn vader was een kracht van de natuur, vermomd als een gewone man.

Uitgedoofd, uitgeblust, uitgezongen.
Smachtend naar licht terwijl de nachten alleen maar lengden.

Uitgedoofd, uitgeblust, uitgezongen.
Als een rots verzwolgen door de branding.

___________________

Jozef Laurijssen
Datum van opstaan: 27/04/1959
Datum van vallen: 16/02/2015


LOTUS is a relatively new hardcore band hailing from Antwerp, Belgium with members of Accept the Change and Redding. This is a video for the song ‘L’Appel du Vide’, which will appear on ‘Israel’, the debut album that will be released at the end of 2014.

LOTUS on Facebook.
LOTUS on Bandcamp.
LOTUS on Tumblr.
LOTUS on Instagram.


Harm De Gruyter, a graphic/multimedia designer who just finished his Master’s degree at the AP college of higher education in Antwerp, dedicated his graduation thesis project to OCD (obsessive-compulsive disorder), an anxiety disorder characterised by intrusive thoughts that result in repetitive behaviour (compulsions) aimed at reducing the associated anxiety. In his animated short movie, Harm focuses on the fixation of doing every action in quadruplicate to get rid of welling up feelings of angst (among others). Hence the title FOUR.

I have always regarded Harm as a very talented young man. But FOUR really left me in awe. Not only does Harm prove he has mastered his graphic and editing skills to a very professional level, the story and the underlying message really show his profound grasp of the subject. Moreover, his sense of storytelling, and his understanding of how to build up suspense with parallel narrative and how to evoke the right emotions has given me new insights that I can incorporate into my own scripts and storyboards.

In conclusion, FOUR really left a big impression on me. If you have a quarter of an hour to spare, check it out:

FOUR by Harm De Gruyter on Vimeo.
www.lifewithocd.com


Colin H. Van Eeckhout, one of the founding members of the Church of Ra, has faced a lot of pain and hardship in his life. During a very intimate session of De Kreun’s ‘On Stage With’ concept featuring the singer and visual artist, he granted a selective audience a moving insight into his grief-stricken heart and mind. During this evening of openheartedness, he told us how he turned to music to find an outlet for his inner demons. Fronting Amenra and Kingdom (among others) granted him solace. Moreover, he found a sense of brotherhood among his fellow band members, who share his views on both life and death. But it is the pursuit of hope that truly binds them for life.

Interview filmed and edited by Jelle Laurijssen and Mathieu Vancamp.
English transcription by Mathieu Vancamp.
Shot at Campo Santo, Sint-Amandsberg, Ghent.


 “Now you young twerps want a name for your generation? Probably not, you just want jobs, right? Well, the media do us all such tremendous favours when they call you Generation X, right? Two clicks away from the very end of the alphabet. I hereby declare you Generation A, as much at the beginning of a series of astonishing triumphs and failures as Adam and Eve were so long ago.”

– This fragment of a commencement address given to a group of students at the Syracuse University by Kurt Vonnegut on May 8, 1994, inspired Douglas Coupland to baptise his book ‘Generation A’.

Generation A by Douglas Coupland

Generation A by Douglas Coupland

I picked up Generation A in 2011 when I was backpacking through British Columbia and Alberta (Canada) with my girlfriend. I found it in a bookstore on Granville Island, just north of Vancouver, called Blackberry Books. It’s a homely little bookstore and is only surpassed by the Armchair Books bookstore we visited in Whistler on my list of favourite Canadian bookstores (visited).

The back of the book reads that “Generation A mirrors 1991’s Generation X. It explores new ways of looking at the acts of reading and storytelling in a digital world.” That sentence convinced me of buying the book, since I remembered greatly enjoying Generation X. I read the book at the beginning of 2006 and partly based my essay on youth culture in the 60’s and 70’s and its subcultures on it. I was in my last year of secondary school back then and the essay was, except for the exams at the end of the school year, the final assignment for my Dutch course.

Douglas Coupland’s Generation A takes place in the near future. And what a dire future it is! Bees (are believed to) have become extinct and the consequences are terrible and plentiful: people have to eat synthetic food and arduous hand-pollination is needed in order to produce the little natural food there’s still available, making the fruit prices soar and giving rise to black market practices and public auctioning of old jars of honey. Even drug users have to resort to meth instead of the usual heroin, because “poppies require bees.” But all of that seemingly changes when five individuals from different places all over the world get stung. Will those events prove to be a beacon of hope for mankind?

The first person that gets stung is Zack Lammle, a very virile corn farmer from Iowa that spends his time drawing crop circles in the form of a penis in his corn fields while broadcasting himself riding naked in his combine tractor.

Then there’s Samantha Tolliver, a 26-year-old woman from New Zealand whose parents have recently informed her that they’ve stopped believing in anything (God, science, life after death,…), causing her to re-evaluate her own beliefs. She’s in the process of making an Earth sandwich with Simone Ferrero, a girl from Spain, when she’s stung by her Apis mellifera.

Thirdly there’s Julien Picard, a recent dropout from the prestigious Parisian Sorbonne University. He’s a cynical young man that spends his days playing World of Warcraft.

The Canadian Diana Beaton gets stung right after her excommunication from ‘the flock’ by pastor Erik, whom she fell in love with. The religious dental assistant is immediately disillusioned and drops her religion on the spot (because of the excommunication, not because of the bee sting). Pleasant detail: Diana suffers from Gilles de la Tourette syndrome, making it impossible for her to hide her thoughts and feelings from others.

And lastly there’s Harj Vetharanayan, the book’s most likeable character in my opinion. Harj is an Abercrombie & Fitch call centre operator in Sri Lanka. He’s a very intelligent young man and the only member of his family that survived the 2004 Indian Ocean Tsunami. He runs a fake e-commerce website after hours that sells “celebrity room tones”: audio files that capture what silence sounds like in rooms owned by famous people. The perfect example of what a joke Western capitalist society has become. What makes matters even more absurd is that he’s contacted by a journalist of the New York Times about it. Harj has simply grown “contemptuous of the people on the phone on the other side of the planet, twelve hours away.” The sad cardboard cubicle partitions that Harj’s call centre is comprised of remind me of the office spaces depicted in Generation X. If I recall correctly, the brilliantly cynical term Coupland used for them then was veal-fattening pens.

All five protagonists have two things in common: they all live pretty detached from the petty bourgeois world that our future society has become and as a result of them being stung they’re all scooped up by a team of scientists in hazmat suits and forced to undergo elaborate tests in an underground facility in Atlanta. Their isolation units are neutral, brandless, Ikea-like chambers where they are subjected to sensory deprivation. They aren’t allowed to read books, watch TV, surf the internet or listen to music. All they’re allowed to do is sit there, eat synthetic jelly meals and wait for them to be sedated for more tests, a process which is repeated over and over again for several weeks. The tests show that, as we come to learn later in the book, our five protagonists secrete eons, a sort of neuroproteins, which differentiate them from other people. Is that why the bees were attracted to them?

Save for Zack, no-one can return home upon their release from the underground research facility, partly due to the fact that they’ve become full-blown media figures thanks to a world that’s almost entirely driven by the internet, with fans storming them on sight and partly due to the fact that their homes have been picked apart piece by piece by research teams looking for a connection between their surroundings and the fact that they’ve been stung. So Zack stays home, cashing in on his celebrity status while Julien goes to live with his father and demented grandmother in Switzerland. Samantha is saved from possible harassment by a gay taxi driver named Finbar, who offers her to come live with him.

Diana goes to her office after finding her house in ruins, but is immediately hospitalised anew because of an extreme allergic reaction to Solon, a highly popular and highly addictive escapist drug that makes time pass quicker and keeps you from thinking about the near future. Everyone seems to be (ab)using it and the role of Solon begins to grow more important throughout the story.

And finally there’s Harj. He’s left with the choice to return home or to visit America for a while. He eagerly grasps the opportunity to visit the world headquarters of the Abercrombie and Fitch Corporation in Ohio. And there he meets America’s yuppies (another similarity with Generation X), whom he baptises Craigs and female Craigs, living in their white suburban houses with impeccable lawns and crescent-shaped driveways, so endlessly bland and boring. As Harj grows ever more irritated with their pettiness in their thoughts and actions he asks himself: “Do Craigs always put exclamation marks at the end of everything they say?” How he hates their constant insincere enthusiasm for everything.

Luckily (or not?) for Harj, he and the four others are reunited by Serge Duclos, a charismatic French scientist with dubious motives, on the island Haida Gwaii, the site of the last known active beehive. There Serge persuades the party to make up and tell each other stories, under the implicit pretext that by doing so the five of them would secrete eons (the neuroproteins I mentioned before) possibly (and hopefully) attracting the surviving bees.

As all protagonists each take turns telling a short story you start noticing all of them contain (subtle) personal elements of either the narrator or his listeners. It seems like the stories told are all separate pieces of an ingenious puzzle. That apparent prescience is eventually acknowledged by Serge when he tells the quintet that “In some ways, you’re telling the same story in different manners. And in some ways, you’re all telling a larger story without knowing it.” But he still remains enigmatic about the purpose of it all.

Eventually Harj tells a story titled ‘The Liar’ in which he elaborates on the impact of the perversity of Western capitalist society and the Western frame of mind on nature and more specifically on the (disappearance of the) bees. But gradually the story evolves into an unexpected accusation directed at Serge, which causes quite the plot twist!

Serge tries desperately to maintain control of the situation by telling a short story of his own titled ‘The Gambler’ which seemingly puts all the pieces of the puzzle together:

– Why are they on the island?
– Why do they have to make up and tell stories?
– How’s this all connected with the disappearance of the bees?
– Does it all have something to do with the drug Solon?

But then, as the story, as well as the book, draws to its cliché conclusion, one can’t but feel disappointed. Such a shame, since I quite enjoyed reading three-quarters of it.

Conclusion:

Generation A isn’t a book I’d normally read. I’m not fond of the fact that it reads like a thriller, a genre I’ve completely grown out of. I rather enjoy reading bildungsromans and entwicklungsromans set in the (recent) past with either a central humanist or existentialist idea. The fact that Generation A is set in the future isn’t a hindrance, but its occasional high sci-fi factor causes the book to lose too much contact with reality, rendering the story too unlikely.

Overall Generation A is a pretty good book. It’s still critical of the social structure, although a lot less snappy than Generation X is. I find Generation A to meet Generation X on that level only in “The Man Who Lost His Story”, a short story told by Harj. And if you read between the lines you might discover that beneath its surface Generation A is a subtle critical reflection on the way media consumption has become a form of both addiction and redemption for (contemporary) man.

The book does have Douglas Coupland written all over it. Coupland’s typical comic prose is quite amusing and he shows he’s quite in touch with his time, making references to, among others, Family Guy, The Simpsons, World of Warcraft, Playstation Portable, Metal Gear Acid, Lesley Wexner (the founder of Limited Brands) and that vile Monsanto corporation. Moreover, the framed narrative technique he used is as typical for Generation A as it is for Generation X.

So, in short, if it wasn’t for its bland, uninspired ending I might have really enjoyed Generation A.

And by the way, finishing the book on the same day I discovered this article in De Morgen (a Belgian newspaper) as well as this blog post proved to be quite an eerie experience. So eventually, the book has had its proper effect on me.


Jelle Laurijssen




Goodreads

Klik hier om via e-mail op de hoogte gehouden te worden van toevoegingen aan deze weblog.